Mid Term Evaluatie POP2

Hieronder vindt u de Mid Term Evaluatie van POP2 zoals die op 23 december 2010 is ingediend bij de Europese Commissie. Het doel van de Mid Term Evaluatie is een oordeel te geven over de kwaliteit, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitvoering van het POP2 over de jaren 2007-2009. De evaluatie is uitgevoerd door een consortium van Ecorys en Witteveen en Bos, en is zoveel als mogelijk een kwantitatieve beoordeling.

De belangrijkste bevindingen zijn, in het kort, de volgende:

Context

In het algemeen geldt dat de veranderingen in de macro-economische context waarin het POP2 is/wordt uitgevoerd niet de problematiek van het Nederlandse platteland inhoudelijk sterk heeft veranderd of dat hierdoor andere maatregelen nodig zouden zijn. Wel heeft de verslechterde macro-economische situatie de mogelijkheden van begunstigden beperkt om de subsidiemogelijkheden van het POP2 daadwerkelijk te benutten.

Samenhang middelen en doelen

Een volledige beoordeling van de samenhang tussen inzet van maatregelen en de te bereiken doelstellingen is moeilijk te geven. Hierbij speelt mee dat naast het POP 2 ook het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) beschikbaar is voor het Nederlandse platteland. De omvang van het POP2 budget veel kleiner (10%) dan dat van het ILG. Dit is tevens een verklaring voor de bevinding dat het programma vooral als een (co-)financierings-instrument wordt gezien en niet zozeer als een zelfstandig beleidsprogramma

Evenwicht tussen maatregelen

Er zijn geen grote verschuivingen nodig zijn tussen de budgetten van de verschillende Assen of die van individuele maatregelen. Wel blijft voor As 3 (leefbaarheid en diversificatie) de inzet op een breed pakket van maatregelen een punt van aandacht.

Mate van doelbereiking

De analyse per maatregel leidt tot een sterk wisselend beeld. Een algemene conclusie is dat er sprake is geweest van een trage opstart van het POP2. Dit kan worden verklaard vanuit het feit dat de officiƫle goedkeuring pas in juli 2007 werd afgegeven, terwijl daarnaast een (complexe) gedecentraliseerde uitvoeringsorganisatie moest worden opgestart. Aan het eind van de beschouwde periode is het programma duidelijk meer op stoom gekomen mede dankzij de inzet van de provincies. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de mate waarin per 31 december 2009 de beschikbare middelen per maatregel waren toegekend.